Sneeuw

Bij neerslagvorming wordt uitgelegd hoe in koude wolken, met wolkentoppen van minstens -12°C, ijskristallen ontstaan. Deze ijskristallen groeien verder aan en beginnen door de zwaartekracht te vallen. Hierbij vormen ze klonters met andere ijskristallen tot ze uiteindelijk sneeuwvlokken vormen.

Indien de temperaturen tussen de wolken en het aardoppervlak negatief blijven, bereiken de sneeuwvlokken de grond. Het gebeurt ook dat de luchttemperatuur in de onderste laag van de atmosfeer licht positief is zodat er een zekere afsmelting gebeurt. Men spreekt dan van smeltende sneeuw of natte sneeuw.

Het is duidelijk dat er verschillende soorten sneeuw bestaan, afhankelijk van de temperatuursverdeling. Soms is de sneeuw zeer luchtig en droog en verstuift hij gemakkelijk bij veel wind. Soms is hij zwaar en nat, ideaal voor sneeuwballen! Dit type sneeuw verstuift niet en is moeilijk weg te borstelen.

Sneeuw veroorzaakt niet alleen gladde wegen, maar zorgt bij veel wind ook voor extra problemen door het beperkte zicht. Fijne sneeuw kan tot in de kleinste kieren binnendringen en allerlei technische problemen veroorzaken. Zie ook driftsneeuw.

 

 

Indien de temperaturen tussen wolk en aardoppervlak negatief blijven, bereiken de sneeuwvlokken de grond en wordt er een sneeuwlaag gevormd.

Aanverwante begrippen

Regen