Convectie

Convectie in de atmosfeer betekent het opstijgen van luchtbellen. Convectie ontstaat doordat de zon in de loop van de dag het aardoppervlak en zo ook de onderste luchtlagen verwarmt. Warmere lucht heeft een kleinere dichtheid dan koudere lucht, zodat ze de neiging heeft om op te stijgen. Het is ook mogelijk dat een koude luchtmassa over een warmere ondergrond stroomt en zo convectie veroorzaakt (mogelijk ook 's nachts). Dit gebeurt bijvoorbeeld achter een koufront of wanneer van oorsprong arctische lucht over veel warmer zeewater stroomt.

Door de stijgende bewegingen is het mogelijk dat er bewolking ontstaat (zie wolkenvorming). Hiervoor moet de lucht wel voldoende vochtig zijn. Anders zijn er enkel verticale verplaatsingen zonder wolkenvorming. Deze convectieve wolken worden ook stapelwolken of cumuliforme wolken genoemd. De luchtbellen kunnen enkel blijven stijgen zolang de atmosfeer onstabiel is. De convectie kan verticaal gezien kilometers ver doorgaan, zelfs tot aan de tropopauze. In dat geval spreken we van diepe convectie met vorming van grote cumuluswolken of cumulonimbus.

Het is ook mogelijk dat de atmosfeer maar over een beperkte laag onstabiel is, zodat de stijgende luchtbellen al snel botsen op een stabiele laag of inversie. In dat geval is de convectie ondiep en ontstaan er geen wolken of slechts bescheiden cumuli.

De zeebries is een ander weerverschijnsel dat het gevolg is van convectie.

 

 

Cumuluswolken zijn een gevolg van convectie. Wanneer er behoorlijk wat wind staat, kunnen deze wolken zich rangschikken in zogenaamde wolkenstraten. Tussen de stijgbewegingen die de wolken veroorzaken, moeten er zich ter compensatie ook dalingen voordoen waarin de bewolking oplost.

Voor stijgbewegingen op kleine schaal wordt soms ook de term thermiek gebruikt. Vaak is de lucht te droog om wolken te vormen. Thermiek wordt niet alleen opgezocht door parapenters, deltavliegers en zweefvliegers, maar ook door vogels.