Zeebries

Een zeebries vormt zich in bepaalde seizoenen in de kuststreek of wat verder landinwaarts op dagen met weinig wind. Aanvankelijk waait er een (vrij) warme wind vanuit het binnenland, voor België is dat ergens tussen zuidwest en oostnoordoost. Maar in de loop van de dag kan die landwind in de kustregio plots verdwijnen en vervangen worden door veel koelere lucht uit noordwestelijke tot noordoostelijke richtingen. Men spreekt dan van een zeebries. Hierbij kan het nevelig of zelfs mistig worden.

Vooral in het voorjaar en de vroege zomer kan het weer door de zeebries minder aangenaam zijn aan de kust dan in het binnenland. In de echte zomermaanden daarentegen zal de zeebries voor een welgekomen verfrissing zorgen in de namiddag, als de temperaturen in het binnenland oplopen tot 30 graden of meer (aan zee is het dan bijvoorbeeld 23 graden).

Een zeebries ontstaat wanneer het zeewater veel kouder is dan het vasteland, bijvoorbeeld een verschil van 8 graden of meer. Dit is typisch het geval in het voorjaar en in de vroege zomer. In die seizoenen warmt het land overdag soms snel op, tot bijvoorbeeld 20 à 25 graden, terwijl de zeewatertemperatuur amper verandert (het zeewater zal trouwens in vergelijking met het land in de loop van de seizoenen veel trager opwarmen en afkoelen). Zo kan het zeewater bijvoorbeeld maar 10 graden warm zijn in april.

Niet alleen een groot temperatuursverschil tussen zee en land is belangrijk maar ook de windkracht.

  • Is de windkracht 4 Bf of meer dan wordt het zeebrieseffect onderdrukt. De oorspronkelijke landwind zal te sterk zijn om in de namiddag door een zeebries te worden vervangen.
  • Is de wind 3 Bf of minder dan kan de zeebries in de loop van de dag ontstaan.

 

 

 

Het zeebrieseffect ontstaat door de sterke opwarming van de luchtkolom boven land terwijl de temperatuur van het zeewater nauwelijks verandert. De luchtkolom boven land zet verticaal wat uit zodat er in de hoogte een klein hogedrukgebiedje ontstaat (het drukniveau van 925 hPa helt een beetje). Hierdoor stroomt de lucht in de hoogte weg richting zee. Aan de grond ontstaat door dit wegstromen van de lucht vervolgens een klein lagedrukgebiedje in het kustgebied. Op zee wordt er een hogedrukgebiedje gevormd. Het resultaat is een circulatiecel waarbij zich in de onderste luchtlagen koude zeelucht van het hogedrukgebied naar het lagedrukgebied op land beweegt.