Occlusiefront

Bij het weerwoord frontale depressie wordt uitgelegd hoe een warmfront en een koufront ontstaan als een lagedrukkern (depressiekern) zich begint uit te diepen. Dit wordt nog eens geïllustreerd in figuur 1. Wanneer de depressie in haar volwassen fase komt, vormt zich het zogenaamde occlusiefront (fase d van figuur 1).

Op een weerkaart wordt een occlusiefront voorgesteld door een paarse curve met halve paarse cirkeltjes en driehoekjes die wijzen in de bewegingsrichting van het front.

Het occlusiefront ontstaat omdat het koufront sneller beweegt dan het warmfront. Rond de depressiekern is de afstand tussen het kou- en het warmfront het kleinst zodat daar de occlusie start. Door dit occluderen zal de warme sector alsmaar kleiner worden en mogelijk geheel verdwijnen. Hierdoor zal de opgetilde warme lucht na verloop van tijd niet meer terug te vinden zijn op aan het aardoppervlak.

Het is mogelijk dat de lucht voor de occlusie minder koud is dan de lucht achter de occlusie. In dat geval heeft het occlusiefront eerder de kenmerken van een koufront. Omgekeerd gelijkt de occlusie eerder op een warmfront. Het is ook mogelijk dat er weinig verschil bestaat tussen de luchtmassa voor en achter het occlusiefront.

 

Figuur 1 toont de ontwikkeling van een lagedrukgebied start langs een stationair front. Geleidelijk wordt de lagedrukkern dieper en tekenen het kou- en warmfront zich duidelijk af. In de eindfase ontstaat het occlusiefront.

Figuur 2. Belgiƫ bevindt zich in een warme sector. Een langgerekt occlusiefront strekt zich uit van IJsland via het westen van Scandinaviƫ naar het noorden van Nederland. Ook boven de Zwarte Zee en boven Siciliƫ liggen er occlusiefronten.