Stabiele lucht

In een onstabiele atmosfeer blijven luchtbellen stijgen, zolang ze warmer zijn dan hun omgeving. In een stabiele atmosfeer gebeurt het omgekeerde. Wanneer de luchtbellen kouder worden dan hun omgeving zullen ze dalen omdat ze een grotere dichtheid hebben dan hun omgeving.

Vooral bij inversies is de lucht stabiel. Zo ontstaat er 's nachts door de uitstraling vaak een grondinversie en zijn de onderste luchtlagen warmer dan de grond. Hierdoor zijn de verticale luchtbewegingen bijna onbestaande en is er gevaar voor CO en smog.

Een ander voorbeeld van een zeer stabiele luchtlaag is een subsidentie-inversie. Mogelijk is de atmosfeer overdag door de zonnewarmte onder de subsidentie-inversie nog wel onstabiel en kunnen er kleine stapelwolkjes gevormd worden. Maar eenmaal de luchtbellen botsen op de inversie zijn ze kouder dan hun omgeving en is de stijging voorbij.

Als in de winter zachte zeelucht van tropische oorsprong over onze afgekoelde streken stroomt, is de atmosfeer ook stabiel van opbouw.