Wat is het verschil tussen nevel en mist?

We spreken over mist wanneer de horizontale zichtbaarheid kleiner is dan 1000 meter.

Wanneer er een horizontale zichtbaarheid is tussen 1000 en 5000 meter, dan spreken we over nevel.

In het algemeen komt een verminderde zichtbaarheid voor wanneer de lucht verzadigd is van waterdamp, maar ook intense regen- of sneeuwbuien kunnen de oorzaak zijn van een verminderde zichtbaarheid. Het is de afkoeling van de lucht die verantwoordelijk is voor de vorming van mist.

Een eerste vorm van mist doet zich voor in een gebied van hoge luchtdruk, wanneer er geen bewolking is en de nachten fris zijn. De temperaturen tijdens de nacht dalen zeer sterk door de onbelemmerde uitstraling van warmte door de aarde. Vermits koude lucht minder waterdamp kan bevatten dan warme lucht, condenseert de waterdamp bij sterke afkoeling en ontstaan er fijne waterdruppeltjes. Eerst komen mistbanken voor in de buurt van vochtige gebieden zoals moerassen, vijvers of waterlopen. Als de afkoeling doorgaat, verspreidt de mist zich ook over andere gebieden. Dit type mist noemt men stralingsmist.

Ook een vochtige en relatief warme luchtmassa boven een zeer koude bodem kan mist doen ontstaan. De koude bodem koelt de luchtmassa af en wanneer de lucht verzadigd is van waterdamp ontstaat er mist. We spreken dan van advectiemist. Deze situatie komt het meest voor in de herfst of de winter in een gebied van lage luchtdruk, wanneer de lucht van boven de zee komt. Deze lucht is immers warmer dan lucht van boven het vasteland. In een dergelijke situatie is de mist meestal zeer dicht. De kustgebieden zijn het meest onderhevig aan dit soort mist.

Ook het reliëf kan aan de basis liggen van de vorming van mist. Als de wind relatief vochtige lucht aanvoert op een helling, koelt die lucht af bij het stijgen. Daardoor kan ze verzadigd raken aan waterdamp en bijgevolg aanleiding geven tot mist.

Ook bepaalde menselijke activiteiten en bepaalde natuurlijke fenomenen zoals vulkaanuitbarstingen kunnen lokaal mist veroorzaken. Kleine roetdeeltjes kunnen dan als condensatiekernen dienen en leiden tot een verhoging van het aantal waterdruppeltjes in de onderste lagen van de atmosfeer.